De paarse octopus

In de zomer van 1986 ging Barry dood. Ze hadden hem gevonden op de bodem van zwembad De Wasmolen. Toen ze hem uit het water hadden gehaald was het al te laat. Dat hadden ze in het ziekenhuis gezegd. Verder herinner ik me niet veel meer van deze gebeurtenis, behalve dat mijn moeder zei dat een kind verliezen het ergste was dat ouders kon overkomen en dat het schoolkamp dat jaar niet doorging.

Ik kende Barry niet goed maar ik kwam weleens met mijn moeder in de poelierszaak van zijn ouders. Je kreeg er altijd een velletje snoeppapier. Ik ging er niet graag heen want Hugo was er soms ook. Zijn moeder hielp soms in de zaak. Ik was bang voor Hugo. Bijna alle kinderen waren dat.

Eind augustus kreeg ik een dagboek voor mijn verjaardag. “Lief dagboek, ik noem je Kitty. Net als de leukste snorkel”, staat op pagina één. “Het dagboek van Anne Frank heet al Kitty, zegt mijn zus”, staat er op de tweede, ‘“dus ik noem je toch niet zo.” Op de derde pagina staat: ”Barry is doodgegaan in het zwembad. Ze zeggen dat hij is geduwd maar mama zegt dat mensen te veel praten. Ik vind het zielig.” Daarna blijven de pagina’s leeg. Het schooljaar was weer begonnen en daarmee de orde van de dag.

Na de zomer ging de poelierszaak ook weer open maar we gingen er nooit meer naartoe. Kip van de slager was ook prima, zei mijn moeder. Jammer vond ik dat. Bij de slager kreeg je worst met paarse randjes en Hugo was die zomer met zijn moeder naar de andere kant van het land verhuisd.

Ik prutste aan het slotje van het dagboek. Het ging niet meer dicht. Ik was op een goudmijn gestuit. De lichte paniek die ik voelde na de eerste bijeenkomst van de cursus ‘Schrijf je memoir’ ebde weg. De krabbels uit mijn jeugd beloofden een enorme stapel dramatische bouwstenen voor mijn verhaal.

Ik houd van cursussen; van de filterkoffie, de functionele tafels en het menselijk ongemak in een ruimte vol vreemden. De cursus Schrijf je memoir vond plaats in de bieb. Bij de ingang vroegen ze om een tientje vrijwillige bijdrage en of je het bord waarop het multoblaadje zat vastgeklemd na afloop weer in wilde leveren. Vanavond stond het voorlezen van de eerste opzetjes gepland.

De cursusleidster was een Amerikaanse die al twintig jaar in de stad woonde. De eerste vijftien minuten besteedde ze net als de vorige keer aan het kaderen van de cursus. Ik legde mijn pen neer. Veiligheid was belangrijk, benadrukte ze. Er was alleen plaats voor positieve feedback. In New York had ze meegemaakt dat deelnemers met gestrekt been op een kwetsbare draft waren afgevlogen. Dat wierp een drempel op. Menig schrijftalent was volgens haar verpletterd onder het gewicht van dit soort pseudoliteraire kritiek.

Ik doodde de tijd met fantaseren over mijn medecursisten. Knappe Miguel, een oudere man in een rolstoel en de theaterdirectrice die er met haar groene handschoentjes uitzag alsof ze zich aankleedde met spullen uit de rekwisietenbak. De jongen naast me vroeg hoe je aan een DWDD-sticker kwam. Hij droeg een hip brilmontuur, lichtblauw overhemd en bruinleren puntschoenen. Ik schatte hem in als werkzaam in de e-commerce. Hij vond het vast tijd voor meer diepgang. Het produceren van ’iets van waarde in print’, bijvoorbeeld een bestseller.

De tl-buizen zoemden. Er gingen koekjes rond. Misschien vond de cursusleidster de geur van koek en koffie bijdragen aan het gevoel van veilligheid, bedacht ik me. Ik wilde vragen wanneer we onze fragmenten gingen voorlezen maar slikte mijn ongeduld in en beet in een bokkenpoot. De e-commerce jongen gaapte. De klok tikte, mensen speelden met hun koffiebeker. In tegenstelling tot de intenties van de cursusleidster leek niemand nog écht op zijn gemak.

Pas na de tweede koffieronde vroeg de cursusleidster wie er een fragment wilde delen. De e-commerce jongen naast mij stak zijn hand op. “Fijn, wanneer en waar speelt je verhaal zich af?”, trapte de cursusleidster af. De e-commerce jongen kuchte ongemakkelijk: “Het speelt zich af in het zwembad in het dorp waar ik ben opgegroeid. Ik ben zeven jaar.”

“Een duidelijk kader”, zei de cursusleidster. “Kun je aangeven waarom je hiervoor hebt gekozen?” “In het zwembad is iets gebeurd wat de rest van mijn leven heeft bepaald”, zei de e-commerce jongen. De klas ging rechtop zitten. De ogen van de cursusleidster begonnen te glimmen. Ze ging met een bil op de hoek van haar bureau zitten en leunde verwachtingsvol naar voren. Ik pakte mijn pen.

“Beschrijf het zwembad eens”, vervolgde de cursusleidster. “Hoe ruikt het? Is het er warm? Drijven er pleisters in het water? Je kunt je ogen dicht doen als je je voldoende op je gemak voelt.” Dat deed de e-commerce jongen niet maar hij las wel voor hoe hij het zwembad binnenkwam. “Het is er druk”, vervolgde hij. “En een enorme herrie. Midden in het water drijft een paarse octopus met groene stippen.”

Er knipte een lamp aan ergens in de krochten van mijn geheugen. Het vrolijke gezicht van de paarse octopus lichtte op. De octopus was voor mij als kind dé reden geweest om naar De Wasmolen te willen. Het betekende eindeloos vermaak in een zwembad waar verder alles wat leuk was niet mocht, zoals duiken, rennen of bommetjes maken.

“Wat is de actie in je verhaal?”, vroeg de cursusleidster. “Ik wil naar de octopus”, zei de e-commerce jongen. Zijn bovenlip krulde brutaal op toen hij glimlachte naar de cursusleidster. Achter de octopus doemde nu een ander beeld op: dat van Hugo.

Hugo die je buiten het zicht van de leraren tegen het klimrek duwde en je net zo lang tegen je enkels schopte tot je hem je zakgeld gaf. Op de basisschool stond geld voor snoep en snoep betekende populariteit. Hugo had zijn imago zorgvuldig opgebouwd met het uitdelen van zure matjes en fireballen.

Hugo las verder. De medecursisten hingen aan zijn lippen. “Ik zat net op de octopus toen ik iets op de bodem zag liggen.” Hij deed zijn bril af en wreef in zijn ogen. “Het is een jongetje.” Ik keek hem aan. Hugo was erbij geweest. “Ik spring vanaf de octopus het water in”, vervolgde Hugo. “Overal trappelen benen. Er komt een knie tegen mijn wang. Ik pak zijn arm maar hij is te zwaar. Ik krijg geen lucht meer. Ik laat hem los.”

“Spannend verwoord”, zei de cursusleidster. Hugo negeerde haar, “Ik ben bang”, las hij verder. “Ik ken het jongetje.” Hugo ademde uit. “Neem je tijd”, zei de cursusleidster bemoedigend. Hugo ademde weer in. “Ik duik weer onder water. Opeens voel ik een lichaam naast me. Het is de badmeester. Hij drukt het jongetje tegen zijn borst en zwemt naar boven. Op de rand van het zwembad zie ik hoe hij wordt beademd maar niet meer wakker wordt.”

“Hoe kwam Barry op de bodem terecht?’, wilde ik vragen. “Is hij geduwd? Door jou misschien?” De cursusleidster walste over me heen: “Wat dapper dat je dit met ons wilt delen”. De medecursisten knikten instemmend. “Hij was mijn halfbroertje”, zei Hugo en keek naar het witte fineer van de tafel. “Ik heb me hier heel schuldig over gevoeld. Maar ik haal er tot op de dag van vandaag kracht uit om door te gaan.” De cursusleidster slaakte een zucht. “Mag ik je aanraken?” vroeg ze. Hugo haalde zijn schouders op. De cursusleidster legde haar hand op zijn arm.

In het najaar van 1986 zag ik bij de opslag van De Wasmolen een grijze vuilcontainer staan. Er staken paarse benen met groene stippen uit. Alsof de octopus de wijde wereld in wilde glibberen, weg van de plek waar afgedankt speelgoed, een dood jongetje en een toekomstige bestseller de stukjes vormden van een puzzel die niemand ooit zou leggen.

Het was donker toen ik de bieb uit liep. Op de parkeerplaats stapte Hugo in zijn auto. Er zat een grote sticker op zijn achterruit. In het midden prijkte een paarse octopus met groene stippen. BARRY Online Connections stond eronder. “Internetaanbieder van het jaar’.

Ik stopte mijn aantekeningen in mijn tas. Morgen moesten we de eindversie opsturen, inclusief evaluatie. Terwijl ik door de stad naar huis fietste, spookte Hugo door mijn hoofd: was hij een held of een leugenachtige psychopaat? Op de gracht parkeerde ik mijn fiets.

Vrienden vroegen zich vaak af hoe ik aan een huis op de Prinsengracht kwam. Maar mijn ouders hadden het pand, dat in de jaren tachtig op de slooplijst stond, destijds voor een prikkie van de gemeente gekocht. Zelf waren ze inmiddels naar de Achterhoek vertrokken.

Ik knipte de lamp aan en gooide mijn notitieblok op de keukentafel. Een dorp als setting vond ik een goede vondst voor het verhaal van Barry. Ik twijfelde alleen over het hoofdpersonage. Moest ik Hugo op die e-commerce jongen laten lijken? ‘Verhaal paarse octopus aanscherpen’, noteerde ik op mijn to-dolijst. Plus evaluatie invullen! Positieve feedback. ‘Duidelijk cursuskader, veel inspiratie dankzij medecursisten. Lekkere bokkenpoten.’ Ofzoiets.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.