Georges & Casimir

Dit verhaal is een bewerking van een blog dat ik schreef toen ik in Parijs woonde in 2017.

Op de bovenste verdieping van mijn appartementenblok wonen rare snuiters. We delen de gang. Volgens mij klooien ze allemaal maar wat aan in het leven. Net als ik trouwens.

Aan het einde van de gang woont Natasha die altijd rond middernacht operaliederen begint te
zingen. Soms kom ik haar tegen bij het prikbord bij de lift. Dan geeft ze me een vluchtig knikje.
Vervolgens verdwijnt ze in het duister van de gang, een flyer achterlatend van een optreden
ergens in een achterafzaaltje. Alsof ze zich schaamt voor haar leven in de schaduw van het
succes.
Naast Natasha woont Bernard, een filosofiestudent. Bernard werkt aan zijn scriptie. Al heel lang.
Hij zit altijd thuis te tikken en eet alleen maar blikvoer. Dat weet ik omdat zijn vuilniszak een keer
scheurde onderweg naar het afvalpunt op de binnenplaats. Ik zag het vanuit mijn raam. Onder luid kabaal rolden er tientallen blikjes uit. Als ik nu langs zijn deur loop fantaseer ik altijd over blikken ravioli en witte bonen in tomatensaus waaruit een lepel steekt met vastgekoekte korsten van de vorige maaltijd. Zijn ouders zag ik een keer toen ze op visite kwamen. “Bourgeois chic”, zou Geoffrey hen hebben genoemd. Zij in een lange, bruine bontjas met klein hondje op de arm, hij in gesteven overhemd.

Met de gedachte aan de oud-docent van mijn modeopleiding aan Central St Martins, borrelt er lichte paniek bij me op. Het is alweer schrikbarend lang geleden dat Geoffrey, als voormalig
hoofdontwerper bij het Parijse modehuis Lanvin, het genereuze aanbod deed mij daar als assistent aan te dragen. Ik heb hem beloofd nieuw werk op te sturen om te beoordelen maar heb dat nooit gedaan. In de eerste maanden dat ik hier woonde waren de lijnen die op papier kwamen onzeker, de ideeën flets. Sindsdien blijven de vellen blanco. Lanvin verlamt me.

Ik verlummel mijn tijd. In het weekend laat ik me meeslepen op eindeloze, met alcohol doordrenkte tochten langs beruchte boîtes de nuits. Doordeweeks verdien ik geld met een saaie kantoorbaan op La Défense. Zo betaal ik mijn nachtleven en mijn studio. Na werk is het beste dat er nog uit mijn handen komt een magnetronmaaltijd.

Waarom Bernard aan het blikvoer zit, weet ik niet. Misschien weigert hij geld van zijn ouders aan te nemen. Dat je jezelf wilt losmaken snap ik, maar elke dag blikvoer vind ik wel een heel groot offer.

Tegenover Bernard woont Georges. Van Georges ken ik alleen zijn geluiden en zijn naam. Die
laatste heb ik van de brievenbus in de hal. Daar staat hoekig ‘Georges Lenoir’ op geschreven.
Ik hoor Georges regelmatig rondscharrelen. De muren zijn hier dun. Getik tegen glas. In de
nachten dat ik wakker lig met een knagend schuldgevoel over mijn leven, dringt dat van Georges zich aan me op. Zijn koelkast gaat open en weer dicht. Mijn kaken spannen zich. Weer een week voorbij zonder dat er iets van mijn plannen terecht is gekomen. Georges kucht, neuriet wat, zet de tv aan.. France 1.

Rond middernacht gaat hij de deur uit. Dan vallen de geluiden stil en ik grommend in slaap. Soms klinkt er een geluid door de nacht dat lijkt op een zacht geknaag. Tot Natasha begint te zingen. Ik pak zuchtend mijn oordoppen. Georges hoor ik pas tegen het ochtendgloren weer. Hij stommelt over onze gang. De geur van koffie. Gemompel. Daarna stilte.

Ik heb te lang gesnoozed. Het is acht uur. Ik heb nog een half uur om op mijn werk te komen. Ik
haat mijn baan. Rennend langs de rij deuren op de gang, zoek ik in mijn jas naar mijn metropas.
Aan het einde van de gang staat een deur open. Er blijkt een wc’tje achter te liggen. Nooit
geweten. Een man is zijn tanden aan het poetsen. “Goedwemorwen”, zegt de man. Ik staar hem
verbaasd aan. “Dabwist ju zekew wiet he!” De man spuugt een kwak tandpasta uit in het
wastafeltje. “Nee, maar ik heb haast”, antwoord ik snel. “Dacht ik al’’, grinnikt de man en steekt
zijn hand uit. “Ik ben Georges”, onder zijn zware wenkbrauwen glimmen pientere bruine ogen. “Je buurman.”

Ik pak de metro bij Pigalle. Het stinkt er naar pis. In de volle wagon komen te veel mensen te dichtbij. Met mijn heup duw ik een tas aan de kant. Ik voel nog steeds de kater van dit weekend. Ik denk aan Georges in het wc’tje. Zijn leven dat mij wakker houdt. Het stromende water op de gang, vroege en late voetstappen. Op die momenten doet Georges dus een plas of haalt hij een
washand door zijn gezicht. Alsof het niet 2019 maar 1959 is. Die is doodongelukkig, denk ik als de roltrap me afzet in het grauwe, betonnen zakenhart van Parijs.

Een paar weken later kom ik Georges weer tegen. Het is vrijdagavond. Hij wacht op de lift.
Georges draagt een oud jack van de Franse La Poste. Ik heb net kaas en brood gehaald en zin
om die al Netflixend op te snaaien en daarna de stad in te gaan. De lift, formaat boekenkast,
arriveert. Ik wil liever niet met Georges in de lift staan maar hij zwaait de deur open en gebaard naar me. “Het kan net met zijn tweeën”, zegt hij. Georges draagt een tas vol boodschappen. Ik
wurm me naast hem en staar recht vooruit terwijl de lift ons omhoog takelt. Georges kijkt naar me. Hij is uit op een praatje. “Ben je postbode?”, vraag ik met ingehouden tegenzin. Georges zegt dat hij dat was, maar is ontslagen. “Er wordt namelijk nauwelijks meer geschreven,” weet hij. “Ik klus nu bij als nachtwaker. Dat vind ik prima. ’s Nachts zijn er weinig mensen wakker, dus weinig
gedoe”, voegt hij er grijnzend aan toe.

“Vind je het niet vervelend om je tanden op de gang te moeten poetsen?’, verander ik van
onderwerp. Georges antwoordt van niet. Wel vindt hij het een nadeel dat het op onze verdieping in de zomer zo warm is. “Casimir kan daar niet goed tegen”. Ik kijk Georges vragend aan. ‘Wie is
Casimir?”, vraag ik. Hij grijnst opnieuw en trekt een bos wortels uit zijn boodschappentas. “Mijn
konijn.” De lift stopt. We zijn op de zesde verdieping. Ik denk aan het geknaag ’s nachts. “Casimir II heet hij eigenlijk,” gaat Georges door. “Ooit was er een Casimir I. Of eigenlijk, twee Casimir I’s.” Hij kijkt me indringend aan. Ik denk aan het nieuwe seizoen van Frankie & Grace, maar zeg: “Aah,
hoezo?”.

Georges recht zijn rug. “Toen ik vijf jaar was, had ik een groot, wit konijn, Casimir. Maar na een
logeerpartij trof ik in het hok een drie keer zo kleine Casimir aan.” Georges vertelt dat hij Casimir
had meegenomen naar de huiskamer om aan zijn ouders te laten zien. Zijn vader had vanachter de krant gebromd dat Casimir groen was geworden van het gras. Maman had Casimir daarom in de wasmachine gestopt en hem een beetje te heet gewassen. Dus voilà, daarom was Casimir een paar maatjes kleiner, maar wel een lekker schoon konijn, n’est ce pas? Georges had Casimir beteuterd over zijn witte vacht geaaid maar genoegen genomen met de uitleg van zijn vader.
Casimir groeide al snel weer uit tot zijn vroegere grootte. Volgens zijn moeder was dat niet raar. Truien lubberden toch ook uit? “Heb je nooit navraag gedaan?”, vraag ik verbaasd aan hem. Georges haalt zijn schouders op. “Het was misschien een leugen”, zegt Georges, “maar ik had nog steeds een Casimir.” Ik steek mijn sleutel in het slot. Georges duwt zijn deur open. Hij heeft geen slot. Typisch. “Niet nodig”, zegt hij, als hij me ziet staren. “Wat valt er bij mij nou te halen Casimir?”

Ik wens Georges een fijne avond en sluit de voordeur. Met de kaas en het brood plof ik neer op de
bank. Ik zet mijn laptop aan. Georges pakt iets uit de koelkast en mompelt tegen Casimir. Ik denk
aan Georges’ smoezelige, maar montere verschijning en zijn liefde en zorg voor zijn konijn. Ik zet mijn laptop weer uit en blader door mijn map met ontwerpen. Ze zijn er nog. De jasjes, pantalons en jurken die Geoffrey in me deden geloven. Geen Netflix of club vanavond. Ik moet aan de bak.

Patronen en materialen liggen diep bedolven onder lange nachten en geestdodend werk. Ik denk eraan hoe Natasha ondanks haar tweederangs optredens nog elke avond gedisciplineerde toonladders oefent, en hoe Bernard misschien smachtend naar een entrecôte toch stug doortikt. Ik graaf mijn ideeën uit. Geen excuses meer.

De deur van Georges slaat dicht. Het is middernacht. Natasha slaat haar eerste noot aan. Bernard tikt in de verte. Lanvin is mijlenver weg maar ik werk door. Mijn liefde voor het vak borrelt weer op. Het geknaag van Casimir wisselt zich nu af met het gekras van mijn potlood op het papier. Drie uur later voeg ik een eerste nieuw ontwerp aan mijn portfolio toe. Een twinset. Nog geen Lanvin maar er ligt wat, een nieuw begin. Ik noem hem Georges & Casimir.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.